De Bijbel is vol van waarschuwingen tegen allerlei misleiding. Dingen die ons uiteindelijk, wanneer we er in meegaan, van het geloof zullen beroven. Dat is een boodschap waar geen enkele christen op zit te wachten: de mogelijkheid je geloof te verliezen. Ik heb het wel eens het grootste geheim van de Bijbel genoemd.
Al deze misleidingen spelen in op iets wat je als gelovige kennelijk tekort komt. Ze maken je wijs dat je een probleem hebt in je relatie tot God. Dat je een slecht christen bent en meer en beter je best moet doen. Misschien twijfel je er op een bepaald moment wel aan of de Here nog wel van je houdt. Wat het ook mag zijn, dit probleem kan worden ‘opgelost’ want de misleider draagt dan zijn eigen ‘oplossing’ aan, die je misleidt en je juist nog verder van God afvoert.
Deze zelfde principes vinden we ook in de brief aan de Kolossenzen en we zullen proberen het een beetje naar boven te krijgen.
Advies vooraf:
Neem je Bijbel erbij, lees in de brief aan de Kolossenzen de Bijbeltekst na
en ‘onderzoek of deze dingen zo zijn’ (Handelingen 17:11).
Geloven en vrucht dragen
Het begint met de constatering in hoofdstuk 1 dat ze het evangelie hebben gehoord en geloofd (1:3-5). Het evangelie heeft vanaf het begin vrucht gedragen (1:6), maar toch bidt Paulus voor hen dat ze vervuld mogen worden met de kennis van Zijn wil (1:9), zodat hun leven meer in overeenstemming is met de Here, ze nog meer vrucht dragen en groeien in de kennis van God.
- Opvallend is dat het hier meteen al begint met vrucht dragen en het idee dat het normaal is dat we groeien in het geloof en dus meer vrucht dragen.
- Maar de duivel probeert ons altijd wijs te maken dat het ons ontbreekt aan vrucht. We komen altijd te kort en dus is de oproep: er is meer!
Blijdschap en dankbaarheid
Vervolgens is er sprake van blijdschap (1:11) en dank aan de Vader (1:12). Dat mag en moet wel het eerste zijn bij een gelovige nadat je Christus hebt aangenomen. Lees het maar in de volgende verzen (1:12-14).
“Daarbij danken wij de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht. Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden.”
- Kijk eens waarom we God de Vader zouden danken! Hij heeft ons al klaar gemaakt en alles aan ons gedaan opdat we straks een erfdeel met Christus zouden ontvangen Dat gaat dus over het leven na dit leven, over de eeuwigheid! Daarom hebben we ons ook bekeerd tot God en de Heer Jezus aangenomen als onze Verlosser. Zodat we niet in de hel terechtkomen, maar de eeuwigheid bij de Heer Jezus zouden zijn. Voor eeuwig gered!
- Daarvoor heeft Hij ons getrokken uit de duisternis en ons nu al gezet in ‘het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde’. Hij kon dat doen omdat onze verlossing, de vergeving van onze zonden ons geschonken is op grond van het kruiswerk van de Heer Jezus, de Zoon van Gods liefde. Hij heeft voor mij Zijn leven gegeven, Zijn bloed gestort.
- Dat wat God in Christus voor en aan ons gedaan heeft moet de grondtoon van ons leven zijn en blijven. De enige manier om dat levend te houden is om de Vader en de Heer Jezus daarvoor elke dag te danken. ‘Dagelijkse offers van lof en dank’ is de brandstof voor ons geloofsleven. Het is de priesterdienst die onze God verwacht van elk van Zijn kinderen. Wanneer je merkt dat dankbaarheid en lofzang minder wordt of misschien zelf op een gegeven moment verdwenen is moet je daarmee naar de Heer en er opnieuw mee beginnen.
- Het zal daarom niet toevallig zijn denk ik, dat de brief die aan de Kolossenzen -brief vooraf gaat, de Filippenzen-brief is. Die hele brief gaat er over: “Verblijdt u in de Here!”
Christus’ heerlijkheid
In de verzen 15 tot en met 22 treffen we uitspraken aan over de Heer Jezus Christus. Er worden grote en heerlijke dingen van Hem gezegd. Ik ga ze hier niet allemaal opnoemen en van commentaar voorzien. Maar lees de verzen en verwonder je over Wie Christus is: Degene in Wie we de onzichtbare God kunnen zien. Hij de Eerstgeborene van de hele schepping, zichtbaar en onzichtbaar. Hij heeft alles geschapen en houdt alles in samenhang in stand.
Verder wordt in de verzen 19-22 weer opnieuw, maar met wat andere woorden, aandacht gegeven dat de Vader Zijn Zoon heeft gezonden. Die heeft aan het kruis Zijn bloed gestort, Zijn leven afgelegd, op grond waarvan God alles met zich verzoenen kon, de dingen die op de aarde zijn als de dingen die in de hemelen zijn. Zo zijn ook wij verzoend, wij die vroeger vijanden waren Die verzoening is nu ook ons deel geworden en daarom ziet God ons als ‘heilig, smetteloos en onberispelijk’ (1:22).
Het zijn dingen die we steeds weer opnieuw moeten overdenken, zodat we onder de indruk komen van de heerlijkheid en grootheid van de Here Jezus en Hem blijven loven en danken.
Als u tenminste in het geloof blijft …
Dit prachtige gedeelte eindigt in vers 23 plotseling met een nogal ontnuchterende uitspraak. God de Vader heeft ons door Hem – door het bloed van Zijn kruis – met Zichzelf verzoend (1:19-22). Maar zegt Paulus nu opeens dat de mogelijkheid bestaat dat we niet in het geloof blijven? Ja, dat zegt hij inderdaad en sterker nog, hij wist dat hijzelf dat ook moest doen: in het geloof blijven. Aan het eind van zijn leven schrijft hij het aan Timotheüs: ‘ik heb het geloof behouden’ (2 Timotheüs 4:7).
Kennelijk lopen gelovigen het risico dat ze het geloof kwijtraken en zich laten ‘afbrengen van de hoop van het Evangelie’ (1:23). Maar dan moeten we ons afvragen hoe het kan dat mensen die het evangelie hebben aangenomen dan toch gevaar lopen alles kwijt te raken?
Sterker nog, als je nagaat hoe Paulus de Heer Jezus voorstelt in dit gedeelte, dan komt er nog een extra vraagteken bij. Hoe is het mogelijk dat Paulus hen schrijft dat ze met God verzoend zijn en dat ze dan toch het geloof zouden verliezen?
Wat kan dat ‘geheimenis’ toch zijn?
In het gedeelte dat volgt schrijft Paulus drie keer over een ‘geheimenis’ in de verzen 1:26, 1:27 en 2:2.
- “de taak in de dienst van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen, namelijk het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.” (1:25-26)
- “Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid.” (1:27)
- “tot heel de rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht mogen komen, om het geheimenis te leren kennen van God, en van de Vader en van Christus, in Wie al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn.” (2:2-3)
Dit idee van ‘het geheimenis’ lijkt zomaar uit de lucht te komen vallen, maar toch denk ik dat er een verband is met de verzoening. Er zijn daarvoor twee redenen:
- Het voorgaande gedeelte gaat over de verzoening (in 1:19-22).
- De eerste keer dat ‘geheimenis’ gebruikt wordt (1:26), zegt Paulus dat het een geheimenis was omdat het eeuwenlang ‘verborgen is geweest, maar nu voor de heiligen (de gelovigen) is geopenbaard’.
Wanneer we ons afvragen wat het geheimenis is dat vroeger niet bekend was, maar nu, na het werk van Christus aan het kruis, bekend gemaakt is, dan kan dat niet anders zijn dan de verzoening. De verzoening die tot stand gebracht is op grond van het werk van de Heer Jezus Christus aan het kruis.
Maar er is ook nog een andere kant aan dit geheimenis, want het gaat er niet om dat we moeten kunnen uitleggen wat de ‘verzoening’ is die Christus door Zijn dood gebracht heeft. Het gaat er ook – en vooral – om dat dit verzoeningswerk door ons, gelovigen, praktisch beleefd wordt. Dat we vrij mogen naderen tot God onze Vader en gemeenschap met Hem mogen hebben.
Met God verzoend: de vrije toegang tot de Vader
We gaan hier niet uitgebreid in op de verzoening (daarvoor zie hier). Maar heel kort gezegd is het belangrijkste hieronder weergegeven.
De verzoening vormt het hart van het christelijk geloof. Verzoening betekent dat de kloof tussen de heilige God en de zondige mens wordt overbrugd. Dit gebeurt niet doordat God de zonde negeert, maar doordat Hij haar rechtvaardig oordeelt in het offer van Christus. In het kruis ontmoeten Gods rechtvaardigheid en liefde elkaar: de zonde wordt geoordeeld, terwijl de zondaar genade ontvangt. De offers van het Oude Testament, vooral de Grote Verzoendag in Leviticus 16, waren slechts een voorafschaduwing van deze werkelijkheid. In Christus is de definitieve verzoening tot stand gebracht: door Zijn eigen bloed heeft Hij een eeuwige verlossing verworven en is Hij nu als Hogepriester in de hemel.
De twee bokken van de Grote Verzoendag laten twee kanten van de verzoening zien: enerzijds het werk dat God tevredenstelt (op God gericht), anderzijds de plaatsvervanging waardoor de zonden van de gelovige worden weggenomen (op de mens gericht). Voor de gelovige betekent dit een gereinigd geweten, vrede met God en rust in het volbrachte werk van Christus. Tegelijk blijft het geestelijke leven niet zonder groei en correctie: God voedt Zijn kinderen op, Christus pleit voor hen in de hemel en het Woord van God reinigt en heiligt hen.
De conclusie is dat de verzoening de gelovige in een nieuwe positie brengt: hij heeft vrijmoedigheid om “binnen het voorhangsel” – of in ‘het heiligdom’- te leven in gemeenschap met God en Hem te aanbidden. De zekerheid dat God het offer van Zijn Zoon volledig heeft aanvaard geeft rust, vrijmoedigheid en een leven dat gericht is op aanbidding en navolging van Christus.
Laat het even inzinken
Lees nog eens voor jezelf Bijbelgedeelten die gaan over verzoening1, en laat de dingen eens inzinken in je hart. Dat voor ieder die in de Heer Jezus Christus gelooft de weg open is naar God de Vader. Dat is heel persoonlijk: je kunt tot God naderen met offers van lof en dank; de Vader aanbidden ‘in geest en waarheid’. Je bevindt je dan in de geest op een plek die de Schift ‘het heiligdom’ noemt en waar je de hele persoonlijke en verborgen omgang met de Vader en met de Zoon kunt genieten. Het is de plaats waar we ons hart voor God kunnen openen en waar Hij Zijn hart voor ons opent in Zijn Woord.
J.G. Bellet (1795- 1864) schrijft daarover het volgende.
“De weg naar Goddelijke intimiteit is de hoogste roeping van de gelovige. God de Vader wenst ons niet slechts als knechten die orders uitvoeren, maar als zonen die Zijn hart kennen; de Heer Jezus noemt ons geen slaven, maar vrienden aan wie Hij alles bekendmaakt.
Onze reis begint bij het aanvaarden van de genade die ons uit onze ellende tilt, maar God nodigt ons uit om verder te wandelen, voorbij onze eigen belangen, tot in de diepten van Zijn wijsheid. Het is het onvoorstelbare voorrecht van de gelovige om uiteindelijk die “witte steen” te ontvangen, met daarop een nieuwe naam die alleen bekend is aan de gever en de ontvanger—het eeuwige zegel van een volkomen unieke en persoonlijke relatie met God.”
Wat is nu eigenlijk het probleem?
Wanneer de Here God allen die in de Heer Jezus geloven in een volmaakte2 relatie tot Zichzelf stelt en graag wil dat zij deze positie kennen en ook praktisch genieten, wat is dan eigenlijk het probleem? Hoe moeilijk is het dan voor een gelovige om deze weg te blijven gaan, het geloof vast te houden en te groeien in de kennis van God en van Christus Jezus?
Het probleem zit hem daarin dat de gelovige in het leven dingen ervaart die hem beproeven in het geloofsvertrouwen. Dat kunnen allerlei omstandigheden zijn – denk maar aan zonde, ziekte, werk, huwelijk en zo verder – die een beproeving voor het geloof zijn. Dingen die wel of niet met ‘eigen schuld’ te maken hebben. Je ervaart niet meer dat de Here er van weet, of dat Hij de regie heeft en je voelt je eigenlijk door God verlaten. Het is alsof Hij niet meer voor je zorgt en Hij niet meer van je houdt.
Dan ontstaat een verlangen om iets van God te merken of te horen zodat je weet dat Hij er nog steeds is, om je geeft en voor je zorgt. Zodat je weet dat het goed komt.
Laat ik er bij zeggen dat het in deze gevallen niet gaat om een plotselinge gedachte of iets wat zomaar door je hoofd gaat. Het gaat veel meer om een soort van existentiële diepe angst dat het met de relatie tussen jou en de Here niet meer goed zit. Een angstig vermoeden dat meestal niet uitgesproken wordt, maar dat je wel in de greep heeft en dat kan leiden tot het zoeken van een ‘oplossing’ en een verlangen naar ‘meer’.
Ook bij Israel was dit een probleem en de eerste keer dat we er over lezen is in Exodus 17. Het volk trekt door de woestijn en op een gegeven moment is er geen water meer. Ze worden ontevreden en ze stellen de Here op de proef door te zeggen: “IS DE HERE NU IN ONS MIDDEN OF NIET?”. Het is trouwens opmerkelijk dat in Exodus 17 ook twee voorzieningen van Godswege vermeld worden. Eerst het water dat uit de rots vloeide – verkwikking door Christus uit het Woord (1 Korinthe 10:4) en de biddende Mozes – een beeld van de voorbede van Christus in de hemel (Hebreeën 7:25; 1 Johannes 2:1).
De volgende keer dat het volk Israel weer het idee heeft dat de Here hen alleen laat, is wanneer Mozes op de berg is en het hen te lang duurt (Exodus 32). Ze zijn de Here vergeten en vragen om ‘goden die voor ons uit gaan’. We kennen de geschiedenis van de afgoderij die er toen plaats vond3.
Al dit soort omstandigheden zijn bij uitstek situaties waarin de satan gespecialiseerd is om de gelovige misleidende ervaringen te geven. Immers de situatie roept er om dat de Here meer van zichzelf zou laten zien. Want er moet toch meer zijn in het leven dan dit? Het leven met Hem is toch meer dan wat ik nu ervaar?
Mooie redeneringen en nietszeggende verleidingen
Satan gebruikt er mensen voor om te proberen ons ‘probleem’ op te lossen. In hoofdstuk 2 staat het vier keer:
- ‘opdat niemand u misleidt’ (2:4). Dat is de eerste stap: goed en betrouwbaar klinkende argumenten.
- ‘pas op dat niemand u als buit meesleept’ (2:8). Als je naar de argumenten luistert en er in meegaat, wordt je gevangen: ‘als buit meegesleept’.
- ‘Laat niemand u veroordelen …’ (2:16). Wanneer je echter meent dat het niet de goede uitleg is of de methoden onbijbels zijn, krijg je het etiket ‘fout’ opgeplakt.
- ‘Laat niemand u de prijs ontzeggen’ (2:18). Wanneer je de ‘oplossing’ blijft afwijzen, wordt je als het ware gediskwalificeerd en doe je niet meer mee in het team dat voor de hoofdprijs gaat.
Het zijn altijd personen die betrouwbaar overkomen, die we hoogachten, soms zelf familie of vrienden. Christenen die je er bijvoorbeeld op wijzen dat je toch gelooft en dat ‘Christus in je’ is. Paulus zegt het zelf, toch? Dan moet je dat toch kunnen merken en als dat (nog) niet zo is, dan weten we iets dat je daarbij kan helpen. Wat dat ‘iets’ dan is, dat kan van alles zijn. Hier in de brief aan Kolossen wordt bijvoorbeeld verwezen naar bepaalde gebruiken op specifieke dagen (2:16). Dingen die je moet doen, rituelen die je moet uitvoeren of bijwonen.
Dat is altijd een kenmerk van afgodendienst: je moet er iets voor doen en je moet er voor oefenen. Terwijl het bij God – en ook hier in deze brief – erom gaat dat Hij in Christus alles gedaan heeft! Daar mag (en moet!) de gelovige in rusten zodat je altijd in vertrouwen tot God mag gaan. Zeggen wat er in je hart is en van Hem horen uit Zijn Woord wat Hij zegt.
Het geheimenis als levensstijl
Wanneer we de brief aan de Kolossenzen overzien, zien we een lijn die van het begin tot het eind doorloopt. Paulus begint met de constatering dat het evangelie bij hen vrucht heeft gedragen en hij bidt dat ze daarin nog verder mogen groeien. Dat groeien staat niet los van blijdschap en dankbaarheid: omdat de Vader ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis en ons een plaats heeft gegeven in het licht, mogen we Hem daarvoor danken, elke dag opnieuw. Die dankbaarheid wordt alleen maar groter wanneer we stilstaan bij Wie Christus is – de Eerstgeborene van de hele schepping, door Wie alles verzoend is, de dingen op de aarde én de dingen in de hemel.
Juist daar, bij die verzoening, ligt ook het ‘geheimenis’ waarover Paulus drie keer schrijft. Niet een ingewikkeld leerstuk dat alleen voor ingewijden is, maar de eenvoudige en diepe werkelijkheid dat Christus in de gelovige woont en dat de weg naar de Vader voor ieder die gelooft wagenwijd openstaat. Geen rituelen, geen bijzondere dagen, geen ‘extra’s’ die je je geloof compleet zouden moeten maken – dat is precies de leugen waarmee de satan gelovigen altijd weer probeert weg te trekken van deze rust. Hij speelt in op het gevoel dat we tekortkomen, terwijl God in Christus alles al volbracht heeft.
Het antwoord van Paulus op al die misleidende ‘oplossingen’ is dan ook niet een nieuwe regel of een nieuwe inspanning, maar een richting: “Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is”
“Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:1-4).
Niet omdat we daarmee nog iets zouden moeten verdienen of bereiken, maar omdat we, levend vanuit de verzoening, ons hart en onze gedachten daar mogen laten zijn waar onze Heer is. Ons leven is met Christus verborgen in God – dat is al een vaststaand feit – en eens zal dat zichtbaar worden wanneer Hij verschijnt in heerlijkheid. Tot die tijd is de oproep aan ons niet om naar ‘meer’ te zoeken in allerlei leringen en ervaringen, maar om te leven uit wat er al is: verzoend met God, geborgen in Christus, en met het hart gericht op Hem, totdat we Hem zien zoals Hij is.
Gerelateerde artikelen
De zegen van verzoening – https://goddienen.nu/de-zegen-van-verzoening/
De zoektocht naar blijvende vrede – https://goddienen.nu/de-zoektocht-naar-blijvende-vrede/
Voetnoten
- Het model van de verzoening: Leviticus 16,17; De leer van de verzoening: Romeinen 3:21-26;5:8-11; De vervulling van de verzoening: Hebreeën 7-10. ↩︎
- Het woord ‘volmaakt’ in Kolossenzen (1:28; 2:10) moeten we opvatten als ‘compleet, volwassen’, niet als perfect. ↩︎
- Zie ook hier: https://goddienen.nu/dit-is-uw-god-israel/ ↩︎


