Kenmerken van de laatste dagen

De geschiedenis van het verval in Openbaring 2 en 3

Auteur van dit artikel is Hugo Bouter. Het sluit aan op het vorige blog “De ineenstorting van het Christendom”

Ondanks al de conflicten die het gevolg zijn van het falen van de kerk in haar verantwoordelijkheid, voert de Heer Zijn trouwe strijders naar de overwinning. Zo gaan zij van kracht tot kracht en vinden genade om hulp te verkrijgen op de juiste tijd.

Wanneer wij denken aan zulke gevaren als het verlaten van de eerste liefde (Efeze), vervolging en laster (Smyrna), onheilige vermenging met de wereld (Pergamus), valse profetie (Tyatira), formalisme (Sardis), judaïsme (Filadelfia) en geestelijke lauwheid en onverschilligheid (Laodicea), dan kunnen wij alleen standhouden in de kracht van de Heer Zelf, de grote Overwinnaar over de macht van de vijand.

Hij leidt ons niet door menselijke middelen naar de overwinning, maar door Zijn Woord en Geest. Daarom lezen wij in Openbaring 2 en 3 telkens weer het refrein: ‘Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt’. De Geest spreekt door middel van het Woord. Het voornaamste punt van kritiek ten aanzien van de gemeente te Efeze, is dat die de eerste liefde heeft verlaten (Openb. 2:4). Dat is het beginpunt van de afwijking van de Heer en van Zijn Woord: de echte toewijding, het ware enthousiasme voor Hem en Zijn Woord is losgelaten.

Zo begint de lijn naar beneden in de geschiedenis van de verantwoordelijke gemeente, die eindigt met de lauwheid van Laodicea en de verwerping door de Heer. Hij zal hen uit Zijn mond spuwen (Openb. 3:16). Maar ook dan is er nog de oproep tot bekering en terugkeer tot Hem, een laatste appèl, want Hij staat aan de deur en Hij klopt. Hij wil maaltijd met ons houden en ons laten genieten van alles wat Hij de Zijnen te bieden heeft (Openb. 3:20).

Maar er waren gelukkig ook punten van goedkeuring met betrekking tot de gemeente te Efeze. Zij konden boze mensen en verleiders niet verdragen, en zij hadden valse apostelen ontmaskerd als leugenaars. De claims van schijnapostelen hadden ze dus afgewezen, en dat is eigenlijk heel actueel. Paulus had er ook mee te maken (2 Kor. 11:1-15; Openb. 2:2-3).

Verder hadden ze de werken van de Nikolaïeten afgewezen en die zelfs gehaat, evenals de Heer Zelf die werken verwierp en ze haatte (Openb. 2:6). Hier gaat het om de aanmatiging van het klerikalisme, waardoor er een klasse van geestelijken ontstond die zich verhief boven de gewone gelovigen. Dat is heel snel gegaan in de geschiedenis van de kerk in de eerste eeuwen van onze jaartelling. De werken van de Nikolaïeten ontwikkelden zich namelijk tot een erkende leer in Pergamus (Openb. 2:15), en dit leidde ten slotte tot de overheersing, valse profetie en misleiding van de vrouw Izebel in de gemeente van Tyatira. Dan zijn wij aangeland in de donkere middeleeuwen (Openb. 2:20-23). Deze episode vertoont veel overeenkomst met de afval en afgoderij van koning Achab in de tijd van Elia (1 Kon. 16:29-34).

In de gemeente van Smyrna had men te maken met verdrukking, armoede en laster. Er was geestelijke en fysieke tegenstand en zware vervolging. We horen dan ook geen kritiek van de verhoogde Christus, alleen de oproep om te volharden en trouw te zijn tot de dood (Openb. 2:10). De overwinnaars wachtte de kroon van het leven en ze zouden ook geen enkele schade lijden van de tweede dood, dat is de poel van vuur (Openb. 2:11; 20:14). De geestelijke tegenstand was afkomstig van judaïsten, naambelijders die zich hadden verhard en smaad wierpen op de naam van Jezus. We vinden hen later weer terug in de gemeente van Filadelfia. Daar bewijzen zij eer aan de trouwe gelovigen en erkennen dat de Heer hen heeft liefgehad (Openb. 3:9).

In Pergamus is ook nog sprake van vervolging, maar zien we toch vooral dat de kerk zich vermengt met de wereld. De gemeente heeft een vaste woonplaats gevonden daar waar de troon van de satan is (Openb. 2:13). De dwaling van Bileam (Jud.:11), is een erkende leer geworden waardoor afgoderij en hoererij gemeengoed geworden zijn (Openb. 2:14). Dit correspondeert met wat er gebeurde aan het einde van Israëls woestijnreis, toen Bileam gedwongen werd om Gods volk te zegenen in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho, maar tegelijk aan Balak de raad gaf hen uit te nodigen voor de offermaaltijden ter ere van Baäl-Peor (Num. 22-25; 31:16). Zoals gezegd bereikt de vermenging met een afgodische wereld een dieptepunt in de gemeente van Tyatira, die zich helemaal niet wilde bekeren van haar hoererij en afgoderij (Openb. 2:20-22). Er was gelukkig wel een overblijfsel, dat die valse leer afwees en zich niet overgaf aan de diepten van de satan (Openb. 2:24).

Dan gloort het morgenrood van de Reformatie, die echter al snel wordt gevolgd door vormendienst en een belijdenis zonder leven. De diagnose van de Heer met betrekking tot Sardis is ernstig en confronterend: ‘U hebt de naam te leven, maar u bent dood’ (Openb. 3:1). Hij zal onverwachts komen met Zijn oordeel, zoals ook de wereld onverwachts te maken krijgt met Zijn gerichten (2 Petr. 3:10; Openb. 3:3). Gelukkig zijn er wel enkele getrouwen, die zich niet hebben bevlekt met het algemene wereldse denken, en daarom Zijn speciale goedkeuring krijgen. Er worden heerlijke beloningen in het vooruitzicht van de overwinnaars gesteld, die met Hem in witte kleren zullen wandelen, omdat zij het waard zijn (Openb. 3:4-5).

Filadelfia krijgt geen verwijten te horen van de kant van de Heer, evenmin als de vervolgde gemeente te Smyrna. Wel stelt Hij vast dat er nog maar kleine kracht aanwezig is, hoewel men zich gelukkig had vastgeklemd aan Zijn Woord en Zijn Naam niet had verloochend (Openb. 3:8). Er zijn bijzondere beloften van zegen voor het heden en voor de toekomst, waarin de overwinnaars worden geassocieerd met de heerlijkheid van de Heer, die spoedig zal komen, en de glorie van het Nieuwe Jeruzalem dat na de jaren van de Grote Verdrukking uit de hemel zal neerdalen en de aarde zal verlichten met goddelijke glans (Openb. 3:10-12).

Over de gemeente in de eindtijd – Laodicea – hebben we al het een en ander gezegd (zie boven). Geestelijke armoede gaat hier samen met menselijke pretenties en de ontkenning van de realiteit, dat men in feite ellendig, jammerlijk, blind en naakt is. Die armoede staat hier in contrast met de geestelijke rijkdommen die de Heer nog steeds aanbiedt aan eenieder die Hem liefheeft en oprecht wil dienen (Openb. 3:17-19). Bekering leidt tot rijke gemeenschap met Hem nu en het deelhebben aan Zijn regering in het Vrederijk bij de wederkomst (Openb. 3:20-21).


Klik hier voor een download van dit artikel in pdf format